|
De puppytest

|
|
Puppytest: |
 |
Karakterprofiel |
|
Inleiding |
Druk
 |
|
Campbell test en intimidatie |
Zacht
 |
|
Apporteren |
Hard
 |
|
Hekje |
Deemoedig
 |
|
Leervermogen |
Dominant
 |
|
Puppytest in beeld |
Tester
gericht
 |
"Een
pup is niet voor even, maar voor het hele leven"
waarschuwen de makers van de Walt Disney speelfilm
101 Dalmatiërs.
Daarom
worden alle pups die binnen de Flatcoated Retriever Club (FRC) met
advies van de Begeleiding Commissie (BC) gefokt worden op de leeftijd van zeven weken aan een
uitvoerige gedragstest onderworpen.
Het
beeld dat daaruit naar voren komt wordt door de fokker gebruikt om te
zorgen dat de pup geplaatst wordt bij een eigenaar bij wie het karakter
en de aanleg van de pup zo goed mogelijk tot hun recht komen. Tenslotte
moeten baas en hond wel tien jaar of meer met elkaar door het leven en
dan is een 'onverenigbaarheid van karakters' niet gewenst.
* Een
Flatcoat die niet zo dol is op een bek vol veren, baalt van een jager
die hem voortdurend eend wil laten apporteren, terwijl de jager
niet blij is met een hond die zijn passie niet deelt.
* Een
energieke, werkgrage pup gaat zich al gauw stierlijk vervelen bij mensen
die een huishond zoeken waarmee ze slechts een flink ommetje door het
park willen maken (en die dus beter een minder intelligent en
levenslustig ras of nog beter helemaal geen hond kunnen nemen), terwijl
zijn bazen al evenmin verheugd zullen zijn als hun hond het meubilair
verorbert om de tijd te verdrijven.
* Van
een gevoelige, onzekere pup blijft niets over als hij bij een baas
belandt die er graag te pas en te onpas als een sergeant-majoor op los
buldert, terwijl zijn baas het niet zo leuk zal vinden als zijn hond bij
iedere joviale uitroep onder de bank verdwijnt om er het eerste uur niet
meer onder vandaan te komen.
Vandaar
dat bij de FRC de fokker, rekening houdend met de voorkeuren en de
'thuissituatie' van de toekomstige eigenaar, bepaalt welke pup bij welke
baas terechtkomt.
De
gedragstest is daarbij een waardevolle aanvulling op hetgeen de fokker
al weet door zijn observaties van de pups in het nest.
De test
is dus niet om te kijken of de pup 'goed' of 'slecht' is, maar om
inzicht te krijgen in de aanleg, het karakter en de eigen
persoonlijkheid van iedere pup.
En net
als bij de mens verschilt deze van pup tot pup.
De test
wordt afgenomen op een leeftijd van 7 weken (plus of minus hooguit één
of twee dagen). Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat dit de
meest ideale leeftijd is om pups te testen: het zicht, het
coördinatievermogen en de motoriek van de pup zijn dan voldoende
ontwikkeld. Bovendien zijn juist op die leeftijd de drang om te vluchten
voor het onbekende en de neiging tot toenadering met elkaar in
evenwicht, zodat de test een optimaal beeld geeft van de persoonlijkheid
van de pup.
De pup
wordt getest door een onbekend persoon en op onbekend terrein, zodat hij
geen steun kan ontlenen aan een vertrouwde omgeving. Zo kan goed bekeken
worden hoe hij zich gedraagt als hij op eigen benen moet staan en hoe
hij reageert in een nieuwe omgeving.
Veel
mensen vragen zich af hoe betrouwbaar zo'n test nu is: het is toch een
momentopname; misschien is de pup op die dag niet in zijn beste doen of
is hij slaperig?
In het
algemeen blijkt dat de test een goed beeld geeft van de persoonlijkheid
van de pup.
De test
duurt lang genoeg (20-25 minuten per pup) om ook bij hondjes die
langzaam op gang komen inzicht te krijgen in hun 'ware' aard. Uiteraard
kunnen door training en opvoeding later bepaalde eigenschappen verder
worden ontwikkeld of juist worden geremd, maar de basistrekjes die een
hond heeft komen onveranderlijk uit de test naar voren.

Niet
voor niets steeg bij de selectie van blindengeleidehonden waarvoor de
puppytest oorspronkelijk is ontwikkeld de kans op succes van 9% (zonder
test) naar 90% (met test).
Ook
indien pups de volgende dag opnieuw worden getest blijken de
karaktertrekjes die de eerste maal naar voren kwamen opnieuw tot uiting
te komen. Met de willekeur van een 'momentopname' blijkt het dus wel mee
te vallen.
De
puppytest bij de FRC bestaat uit de welbekende testjes van Campbell die
zijn aangevuld met wat jachthondenproefjes en testjes die ontworpen zijn
door Michael Fox. Zo wordt ook gekeken hoe de pup reageert op vreemd
geluid, een vreemd voorwerp en op intimidatie. Probleemoplossend
vermogen en leervermogen worden nagegaan aan de hand van de 'hekjestest'
en de 'kistjestest'.
Bij de
jachthondentestjes wordt gekeken of de pup 4 voorwerpen wil apporteren
en hoe hij deze terugbrengt. Verder wordt er met pens een sleepspoortje
uitgezet.
Het
gedrag c.q. de reactie van de pup wordt per onderdeel genoteerd en op
basis van het totaal wordt door de testers een karakterprofiel
opgesteld, met wat adviezen aangaande opvoeding en plaatsing.
Er zijn
ook wel eens mensen die verontwaardigd roepen dat de uitkomst van een
test niet altijd 'eerlijk' is, omdat sommige fokkers onderdelen van de
test oefenen. Dergelijke mensen gaan er ten onrechte van uit dat de test
een soort examen is waarvoor de pup kan 'slagen' of 'zakken'.
Het
gedrag dat de pup vertoont, wordt bepaald door enerzijds zijn erfelijk
bepaalde aanleg en anderzijds de mate waarin hij is ingeprent c.q.
gesocialiseerd, kortom de mate waarin hij heeft gemaakt met
verschillende wezens, zaken en situaties. (Wie meer wil weten over de zo
belangrijke inprenting en socialisatiefase die valt tussen de 4e
en de 12e week leze de hieronder opgegeven literatuur.) Een
pup die bij de fokker goed is gesocialiseerd doordat hij bijvoorbeeld de
woonkamer dagelijks mag verkennen, allerlei speeltjes van verschillend
materiaal heeft om mee te spelen, vertrouwd is met geluiden zoals radio,
televisie, stofzuiger, allerlei verkeer, rammelende potten en pannen, en
kennis heeft gemaakt met veel verschillende mannen, vrouwen, kinderen,
honden en andere dieren, heeft een beduidende voorsprong op een pup die
opgroeit in een kennel achteraf, waar weinig geluiden doordringen, waar
alleen een oude lap in ligt en waar hij verder niet of nauwelijks
uitkomt. De fokker die met zijn pups oefent, met hen speelt, ze de
woonkamer laat verkennen en ze (zodra ze geënt zijn) buiten mee naar
nieuwe plaatsen neemt, het onbekende tegemoet, is bezig zijn pups te
socialiseren en geeft ze daarmee de best mogelijke start voor zijn
verdere leven.
Voor de
goed gesocialiseerde pup, die al wat heeft meegemaakt, zijn de situaties
waarmee hij tijdens de test kennismaakt dan ook al wat gewoner en minder
nieuw en hij treedt deze dan ook meestal gemakkelijker tegemoet dan de
slecht gesocialiseerde pup, waarvoor ieder geluid, ieder ding, ieder
mens volkomen nieuw is. Meestal, want men moet niet vergeten dat alles
tijdens de test voor de pup, ook voor de goed gesocialiseerde, nieuw
is: de tester, het terrein, de voorwerpen, ook al lijken ze misschien op
zaken die hij al kent. En juist door al dit nieuwe verloochent de
basisaanleg van de pup zich niet. Hondjes die terughoudend van aanleg
zijn, zullen dat ook tijdens de test zijn al zijn ze nog zo goed
gesocialiseerd; pups die apporteren niet zo leuk vinden, zullen dat
tijdens de test laten blijken, al heeft de fokker zich suf geoefend.
Campbell test en intimidatie
In de
puppytest van de FRC is de zogenaamde Campbell test opgenomen. Hiermee
wordt voornamelijk de mensgerichtheid en de mate waarin de pup de
(sociale) overheersing van de mens accepteert getest.
Nadat
de pup op de grond is neergezet en even de kans heeft gehad om een
plasje te doen en te kijken waar hij nu is beland, roept de tester hem.
Gekeken wordt hoe de pup komt. Is dat vlot en vrolijk of aarzelend,
omdat hij het een beetje eng vindt? Of vindt hij zijn omgeving gewoon
veel interessanter dan de tester?
Nadat de pup kennis heeft gemaakt met
de tester en even over zijn bol is geaaid, loopt de tester weg en kijkt
of en hoe de pup volgt. Een pup
die op mensen is ingeprent zal in een totaal vreemde omgeving altijd
geneigd zijn de tester te volgen omdat deze het enige bekende (een mens)
in de omgeving is. Bevindt de pup zich op bekend terrein of
zichtbaar/ruikbaar vlakbij iets of iemand dat erg bekend of vertrouwd is
(fokker, huis van de fokker, honden van de fokker) dan zal hij eerder
blijven waar hij is: in de buurt van het meest vertrouwde. Vandaar dat
het dus alleen zin heeft om de test af te nemen op een duidelijk
onbekend terrein en ook dat de fokker, andere pups uit het nest, andere
honden en de kennel niet duidelijk zichtbaar, ruikbaar of hoorbaar mogen
zijn vanaf het testterrein.
Het
komt dan ook zelden of niet voor dat een pup niet volgt als het terrein
onbekend is.
De
wijze waarop kan echter nogal verschillen. Een pup die mensen erg
interessant, leuk of vertrouwenwekkend vindt zal de tester aan de voet
of vlak op de voet volgen, terwijl een ondernemend, onderzoekend of
zelfstandig typetje de gelegenheid te baat neemt om zijn omgeving
intussen te verkennen; hij stopt even als hij een interessant luchtje of
een afgewaaid blaadje of iets dergelijks tegenkomt en volgt wat minder
dicht.
De
lichaamshouding die de pup aanneemt, en vooral de houding van zijn
staart, geven tegelijkertijd aan hoe hij zich voelt. Een zelfverzekerde
pup zal bijvoorbeeld vrolijk kwispelen, terwijl een wat angstig of
onzeker hondje een houding aanneemt die we in vakjargon ‘gedrukt’
noemen: hij ziet er wat schichtig uit alsof hij bang is dat elk ogenblik
de hemel boven op hem zal vallen en houdt zijn staart laag.
Heeft
de pup bovendien weinig vertrouwen in de mens dan zal hij ook
voortdurend kijken of hij ergens een veilig plekje kan vinden om onder
weg te duiken.
De
wijze waarop de pup volgt geeft dus al een aardige indruk van het
karakter, al is het niet meer dan een eerste indruk, die vaak moet
worden bijgesteld. Sommige hondjes beginnen namelijk wel vrolijk en
vlot, maar blijken naarmate de test vordert toch niet echt zo heldhaftig
te zijn; anderen zijn kat-uit-de-boom kijkers die, als ze eenmaal
ontdooit zijn, het leven een groot feest vinden.
Sommige
pups storten in en veranderen in zielenpietjes, andere worden helemaal
gek en maken de vreemdste bokkensprongen. Maar natuurlijk zijn er ook
pups die de hele test door hetzelfde gedrag blijven vertonen. Op
voorhand of op basis van het volgen alleen is daar maar weinig van te
zeggen.
Tijdens
het volgen loopt de tester langst een plaats waar wat pens ligt rekening
houdend met de windrichting, om te zien of de pup tekent op de lucht van
de pens en of hij zijn neus wil volgen, waarna de pup wat pens mag eten.
Ook bij
een heel ander testonderdeel, de ‘intimidatie’, een testje waarbij de
tester vlak boven de pup gromt en blaft, wordt gekeken hoe gevoelig een
pup is en of hij onder de indruk raakt van het ‘machtsvertoon’ van de
mens. De wat meer timide hondjes kruipen weg, bibberen of blijven
doodstil wachten tot de bui is overgewaaid, de wat brutalere onderwerpen
zich ‘actief’, zoals dat in vakjargon heet, door te likken of pootjes te
geven, terwijl degenen die echt niet onder de indruk zijn vrolijk
blijven kwispelen en de tester in de neus proberen te bijten.

Apporteren
Natuurlijk wordt bij de FRC puppytest gekeken
of en hoe de pups
apporteren. Tenslotte worden Flatcoats mede gefokt om wild te apporteren
en het is het doel van de FRC om hun dual purpose karakter te
waarborgen. Ook nu er steeds minder gejaagd mag worden, is en blijft het
van het grootste belang ervoor te zorgen dat de specifieke
jachteigenschappen van de flatcoat onverminderd behouden blijven. Niet
zozeer in het belang van de happy few die nog jagen, maar vooral
in het belang van al degenen die voor de Flatcoat kiezen omdat het zo’n
leuke, sociale hond is.
Wie denkt dat het niet zo belangrijk is of een
Flatcoat ook goede werkeigenschappen heeft omdat hij hem alleen als
huishond heeft en er toch niet mee jaagt, begaat een gruwelijke
vergissing. Het is het verlangen om voor en samen met de baas te werken,
kortom de will to please, en de apporteerdrift die de Flatcoat maakt tot
de gemakkelijk op te voeden, prettige, vriendelijke sociale gezinshond
die hij nu ook is. Het is
niet voor niets dat de gedragsstoornissen en -problemen hand over hand
toenemen bij rassen waar de door de jaren, soms zelfs eeuwen
geselecteerde werkeigenschappen (gedeeltelijk) verloren zijn gegaan.
Vrijwel
aan het begin van de test, vlak na de kennismaking met de tester en het
volgen, wordt gekeken of de pup vier verschillende voorwerpen wil
apporteren. De tester speelt met het
voorwerp en gooit het vervolgens
een eindje weg.

De meeste hondjes vinden dit een reuzeleuk spelletje.
Ze
rennen er achter aan en pakken het op. Maar lang niet alle hondjes
brengen het voorwerp ook terug. Sommigen willen het maar
al te graag zelf houden: ze gaan er lekker op liggen kauwen of lopen er
hard mee weg: hun buitdrift is groter dan hun will-to-please. Pups vinden ook niet alle voorwerpen even leuk of hebben een
uitgesproken voorkeur.
Niet
alle pups gaan echter achter de voorwerpen aan. Het zou echter een
misvatting zijn automatisch te denken dat een pup dan helemaal geen
apporteerdrift of will-to-please heeft. Er kunnen heel verschillende
redenen zijn waarom een pup niet wil apporteren. Sommige pups zijn
inderdaad gewoon niet geďnteresseerd in de tester en diens spelletjes en
vinden andere dingen veel leuker. Sommige pups vinden de tester
daarentegen zo geweldig dat ze niet bij deze weg te branden zijn en
helemaal geen oog hebben voor iets anders. Anderen vinden het voorwerp
wel erg interessant, maar toch ook een beetje eng: ze durven het niet
vast te pakken en deinzen op het laatste moment terug. Als deze hondjes
echter eenmaal weten dat het voorwerp niet eng is om vast te pakken dan
kunnen het best fanatieke apporteerders blijken te zijn die het maar al
te leuk vinden om wat voor de baas te doen. Verder komt het ook voor dat
een pup zo onder de indruk van de test, de nieuwe omgeving of de tester
is, dat hij te onzeker en teveel bezig met het verwerken van nieuwe
indrukken is om te kunnen apporteren. Ook deze pups kunnen best goede
apporteerders blijken te zijn als ze eenmaal vertrouwen hebben gekregen,
al zullen ze altijd even moeite hebben met een nieuwe omgeving.
Aan het
einde van de test wordt het apporteren nog een keer herhaald. Hondjes
die wat meer tijd nodig hebben om aan de nieuwe omgeving en de tester te
wennen kunnen dan alsnog op apporteerdrift en will to please beoordeeld
worden. Er is ook nog een andere reden. Door het apporteren te herhalen
kunnen wij ook het herstelvermogen en de stabiliteit van de pup testen.
De pups krijgen tijdens de test tenslotte ook wat minder prettige dingen
te verwerken. Gevoelige hondjes die aanvankelijk heel enthousiast zijn,
gaan vaak de test gaandeweg steeds minder leuk vinden en worden onzeker.
Het is belangrijk om te weten of de pup daarvan gemakkelijk herstelt als
je weer wat leuks gaat doen. Bovendien wordt zo de test op een leuke,
positieve manier met spel afgesloten waardoor een eventueel wat
geschonden vertrouwen in de tester hersteld kan worden. Ook voor de pups
die alles aan de test even leuk vinden, is een herhaling nuttig. Ze zijn
inmiddels aan de tester en het terrein gewend en worden wat brutaler. Je
ziet dan ook vaak dat hondjes die eerst alles nog keurig bij die nog een
beetje indrukwekkende mevrouw of meneer terugbrachten, er nu lekker het
‘bos’ mee ingaan.
De jachthondenproefjes vormen een zeer wezenlijk en belangrijk onderdeel
van de puppytest.
Niet alleen omdat ze wat zeggen over de jachtaanleg van de pup, maar ook
omdat ze, meer dan de Campbell testjes, wat vertellen over het karakter.
Juist omdat de pups er ongedwongen zichzelf bij kunnen zijn, kan een
goede observator er heel wat karaktertrekjes uit aflezen. En ook mede
daarom is het zo belangrijk dat de nieuwe eigenaar ook al die leuke
apporteerspelletjes met zijn pup gaat doen: het is namelijk de snelste
en leukste manier om je pup te leren kennen en er een goede band mee te
krijgen.
Hekje.
Van groot belang voor de opvoeding en training is het om te weten hoe
goed het leer vermogen en het probleemoplossend vermogen van de pup
zijn. We spreken van een goed probleem oplossend vermogen wanneer
een hond een nieuw, onbekend probleem snel en zelfstandig weet op
te lossen en ook wanneer hij een vaardigheid die hij beheerst weet
toe te passen in een totaal nieuwe vorm of situatie.
Hij heeft een goed leervermogen wanneer hij eerder succesvol
gebleken gedrag snel weet te herhalen in dezelfde situatie.
Hoe goed deze
beide vermogens zijn wordt in de puppytest nagegaan aan de hand van de
'hekjestest' en de "kokertest".
Bij de
hekjestest wordt de pup recht achter een hem aan drie kanten omsluitend
hekje geplaatst, terwijl de tester hem al achteruitlopend roept. Om bij
de tester te kunnen komen moet de pup zich eerst van de tester af
bewegen. Gekeken wordt hoe en hoe snel hij achter het hekje vandaan weet
te komen. Alleen bij onafhankelijke pups is het soms moeilijk om dit te
testen, omdat zij niet erg geďnteresseerd zijn in de tester waardoor zij
zich uit desinteresse van deze afkeren en bij toeval de uitgang vinden.
Bij pups die echter graag rechtstreeks naar de tester toe willen is het
bijna altijd heel duidelijk te zien hoe goed zij zijn in het oplossen
van het probleem. Sommige proberen eerst dwars door het hekje heen te
gaan en als dat niet lukt gaan ze minutenlang wanhopig zitten jammeren.
Ze
denken gewoon geen seconde na en hen moet dan ook eerst gewezen worden
waar de uitgang zich bevindt: zij kunnen het probleem dus niet
zelfstandig oplossen; het moet ze geleerd worden. Andere hondjes kijken
links en rechts, doen een paar stapjes terug, vinden - zoef - binnen
enkele seconden de uitgang en storten zich in de armen van de tester.
Weer andere doen er wat langer over en werpen zich systematisch tegen
het hekje tot ze ineens de uitgang vinden (trial and error methode).
Door de
test vervolgens te herhalen, wordt het leervermogen van de pup getest.
Je ziet dan dat sommige hondjes die eerst wanhopig waren, nu wel binnen
een paar seconden de uitgang vinden, terwijl andere pups er nog even
veel moeite mee hebben.
Tot
2005 werd er ook een test gedaan, door de pup op een kistje te zetten en
te roepen, deze is afgeschaft en s vervangen door een test met een koker
met wat eten.
De pup
wordt gelokt met iets lekkers en dit wordt voor zijn neus, dus hij ziet
het in een koker gestopt, zo dat de pup er net niet bij kan.
Er
wordt gekeken of de pup op onderzoek gaat in die koker en of hij gebruik
maakt van zijn neus, maar ook poten en/of tanden en of de pup een
doorzettertje is of niet.
Leervermogen en probleemoplossend vermogen worden vaak op een hoop
gegooid en met elkaar verward. Vooral van honden die een goed
leervermogen hebben, die dus gemakkelijk oppikken wat ze is
aangeleerd, wordt er vaak vanuit gegaan dat ze ook een goed
probleemoplossend vermogen hebben. Helaas, want deze vermogens gaan lang
niet altijd samen en als dit niet door de baas/trainer wordt onderkend
dan kan dat tot allerlei misverstanden, frustratie en ergernis bij baas
en hond leiden. De baas moet er namelijk rekening mee houden dat zijn
hond in dat geval (goed leervermogen, maar slecht probleemoplossend
vermogen), het geleerde in een nieuwe, veranderde situatie niet kan
toepassen en het dus weer opnieuw aangeleerd moet krijgen.
Hij
moet dus bijvoorbeeld niet denken: deze hond heeft bij de puppycursus
perfect geleerd om door een behendigheidstunnel te gaan, dus zal hij ook
wel uit zichzelf begrijpen dat hij door een rioolbuis kan lopen. Door
een dergelijke hond wordt de buis namelijk in het geheel niet met de
tunnel geassocieerd; je moet hem opnieuw uitleggen dat hij daar ook
doorheen kan. Boos worden als de hond niet door de buis wil gaan is dan
ook niet alleen funest voor het vertrouwen van de hond in de baas maar
ook uitermate oneerlijk: de hond vertoont immers geen onwil, maar
begrijpt niet wat er verlangd wordt.
Bij de opvoeding en training van de pup dient
er uiteraard steeds rekening gehouden te worden met het leervermogen.
Uiteraard mag je van een hond met een goed leervermogen meer en sneller
iets eisen. Maar rekening houden met de mate van het
probleemoplossend vermogen is zeker net zo belangrijk, zo niet
belangrijker. Voor de training van honden met een slecht
probleemoplossend vermogen is het raadzaam om wat je aan wilt leren in
veel wisselende situaties en vormen aan te bieden, waarbij je het geduld
en het begrip moet opbrengen om steeds weer een heleboel stapjes terug
te doen. Hoe moeilijk dat kan zijn weet ik uit eigen ervaring, want ik
hoor mijn instructeur nog geduldig zeggen als ik weer eens uitriep dat
mijn hond (met overigens een uitstekend leervermogen) dat toch allang
zou moeten kunnen: "Ja, alleen in deze situatie niet."
Bij een
pup die echter een goed probleemoplossend vermogen heeft, moet je
daarentegen terdege afvragen wat je hem aan wilt leren en wat daarvan de
consequenties kunnen zijn. Je moet er immers op bedacht zijn dat de hond
het geleerde ook in heel andere situaties kan gaan toepassen en je moet
je dus afvragen waarmee de hond het aangeleerde nog meer kan associëren.
Als hierover niet goed wordt nagedacht kan het namelijk tot gevolg
hebben dat de hond zich binnen de kortste keren ook allerlei ongewenste
vaardigheden eigen maakt. Als je een hond met een goed probleemoplossend
vermogen bijvoorbeeld leert over hoge hordes of een klimschutting te
springen, dan moet je er wel rekening mee houden dat het best wel hoge
tuinhek voor deze hond niet lang meer een barričre zal vormen. Bij een
hond met een slecht probleemoplossend vermogen hoef je daar niet zo bang
voor te zijn, omdat het niet zo gauw in hem op zal komen om zijn
vaardigheden ook op het tuinhek uit te proberen.
De
puppytest biedt slechts een indicatie voor het probleemoplossend en
leervermogen van de pup. Om deze goed te meten zijn veel meer testen
nodig (het boek van Stanley Coren, The intelligence of dogs biedt
daarvoor een aardig handvat). Maar hoe deze verstandelijke vermogens tot
uiting en ontwikkeling komen is bovendien sterk afhankelijk van allerlei
karaktereigenschappen, zoals ondernemings- en onderzoekingslust, will to
please, stabiliteit, zekerheid, afhankelijkheid, angstgevoeligheid etc.
Die bepalen mede of de hond uit zichzelf over het tuinhek zal springen
of niet. Daarom blijft het devies: kijk goed naar je eigen hond,
observeer zijn gedrag en probeer het grondig te analyseren. De training
en opvoeding van je hond wordt een stuk gemakkelijker als hij is
gebaseerd op wederzijds begrip.
Zoals
gezegd is het doel van de in deze aflevering beschreven testonderdelen,
met uitzondering van het volgen, om te kijken hoe de pup reageert op
dwang (op rug liggen), verzorging (aaien) van de mens. Hierbij komt de
pup op schoot van de tester te zitten terwijl ze hem stevig aait,.
Daarna legt ze de pup 30 seconde op de rug in haar armen ook nu wordt de
pup goed geobserveerd.
Daarna
wordt de pup op de grond gezet en gekeken wat het
gedrag dan is.
Bij de
vorige test werd er op een ander manier gekeken hoe de pup reageert op
overheersing (zweven), dwang (op rug liggen), verzorging (aaien) en
stemcorrectie (intimidatie) van de mens. Een pup die alles gemakkelijk
en zonder angst accepteert is eenvoudiger op te voeden dan een erg
onzekere hond of een hond ‘met een kop erop’, die wat meer een
gebruiksaanwijzing nodig hebben.
Maar al tref je onder de Flatcoats in
dit opzicht een rijke schakering in gedrag aan, vergeleken met andere
rassen zijn het echte ‘middenmoters’: extremen, zoals extreme
onzekerheid of aan de andere kant juist dominantie die kunnen leiden tot
gedragsproblemen als respectievelijk angstagressie en dominante
agressie, komen voor zover mij althans bekend is bij de flatcoat niet
voor. Of het nu een pup met veel pit is of een ‘watje’, met een
verstandige, hondvriendelijke en vooral consequente opvoeding
zullen vrijwel alle Flatcoat pups opgroeien tot leuke, vrolijke honden
met een grote mate aan will-to-please.
Daarna
gaat de tester met de pup, kijken hoe hij reageert op geluid en visuele
prikkels met een hard rammelend blikje en een fel gekleurde paraplu.
En
wordt de pup gelokt en gecorrigeerd met de stem, als de pup direct
reageert is eenmaal voldoende
Daarna
wordt de test afgesloten met nog een keer de apporteer spelletjes.
Van
ieder pup wordt van de test n een verslag geschreven welke de eigenaar
mee krijgt.

Het karakterprofiel
Aan het
einde van de puppytest wordt door de tester en de schrijver samen een
karakterprofiel opgesteld. De testers lopen het lijstje op het formulier
af en geven aan welke eigenschappen zij hebben waargenomen en in welke
mate. Zo ontstaat een genuanceerd beeld van het type en het temperament
van de pup. Het referentiekader dat de testers daarbij gebruiken is de
‘gemiddelde’ Flatcoatpup. Zij vergelijken de pup dus met de andere
Flatcoatpups die zij in de loop der (vaak vele) jaren hebben getest. Als
zij van een pup zeggen dat deze bijvoorbeeld ‘erg zacht’ is dan is de
pup erg zacht voor een Flatcoat. Zou men hem namelijk vergelijken
met bijvoorbeeld een King Charles Spaniel, dan zal de spanielkenner
waarschijnlijk zeggen dat het nogal meevalt met dat zachte. Evenzo zal
een Jack Russell kenner waarschijnlijk hard gaan lachen als wij een pup
‘dominant’ noemen. De begrippen zijn dus relatief en geven uitsluitend
een vergelijking met het eigen ras en niet met andere rassen.
Verder
moet men onthouden dat bij de puppytest vooral wordt gekeken naar het
gedrag van de pup in relatie tot mensen. Als er van een pup staat
dat deze deemoedig is, dan zegt dat dus nog niets over het gedrag naar
andere honden. Een naar mensen vriendelijke en sociaalvaardige hond is
dat vaak ook wel naar andere honden, maar het hoeft helemaal niet zo te
zijn. Sommige honden zijn bijvoorbeeld gek op mensen, maar helemaal niet
op andere honden en laten dat duidelijk merken ook.
De
eigenschappen en karaktertrekjes die door de puppytesters worden
geconstateerd zijn ook geen garantie of blauwdruk voor toekomstig
gedrag. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat wat in aanleg aanwezig is,
altijd blijft en nooit helemaal zal verdwijnen, zijn socialisatie en
opvoeding in hoge mate bepalend voor het onderdrukken of juist tot bloei
brengen van bepaalde eigenschappen.
Veel
van de in de puppytest genoemde eigenschappen zijn duidelijk voor
iedereen.
Met de
meeste termen zal de doorsnee puppykoper/fokker geen moeite hebben, maar
andere verdienen een nadere toelichting omdat ze ‘vaktaal’ zijn of omdat
ze voor meerdere uitleg vatbaar zijn of omdat ze een negatieve bijsmaak
hebben, waardoor het belangrijk is om uit te leggen wat er precies mee
wordt bedoeld.
Druk: Kenmerkend
voor de Flatcoat is zijn vrolijke, levendige aard, zijn
nieuwsgierigheid, zijn enthousiasme, zijn kwispel. Niet-kenners plakken
daar wel eens het stempel druk op. Ten onrechte, want druk is wat
anders. Een hond is druk wanneer zijn gedrag daarbij geen inwendige rem
kent en ook van buitenaf min of meer onbeheersbaar is. Druk is een hond
wanneer hij maar doorgaat en van geen ophouden weet, zelfs niet als hij
tot de orde wordt geroepen. Een drukke hond is meestal ook weinig
geconcentreerd, snel afgeleid en springt van de hak op de tak. Alles is
even leuk, even interessant en wordt even snel en vluchtig bekeken voor
hij weer afstormt op het volgende.
Zacht: Zacht is een
typische ‘vakterm’. Een zachte hond is gevoelig voor indrukken en
stemmingen en reageert daar snel op, in positieve zin (b.v. blij,
enthousiast) of in negatieve zin (b.v. onzeker of bang). De term ’zacht’
geeft dus niet aan HOE de hond reageert, want dat is afhankelijk van de
omstandigheden, maar alleen maar DAT hij zichtbaar snel of onmiddellijk
reageert: er is duidelijk een wisselwerking tussen het gedrag van de
hond en de omstandigheden, de omgeving of het gedrag van anderen (met
name de baas).
Hard: Hard is het
tegenovergestelde van ‘zacht’ in bovengenoemde betekenis en betekent
alleen dat de hond veel minder snel en veel minder zichtbaar reageert.
Dat betekent niet dat de hond de prikkels van buitenaf niet registreert
of zich er innerlijk niets van aantrekt. Alleen is zijn zichtbare
reactie niet duidelijk anders. De hond gaat op het oog gewoon (langer)
door met waarmee hij bezig is en lijkt zijn gedrag niet of nauwelijks te
wijzigen.
Deemoedig:
Tegenwoordig wordt aan de term deemoedig de voorkeur gegeven boven
‘onderdanig’. Het gaat om een nuanceverschil: deemoedig is correcter en
neutraler dan ‘onderdanig’ dat bovendien vaak de negatieve associatie
‘slaafs’ en ‘kruiperig’ heeft.
Een
deemoedige hond is een inschikkelijke, meegaande hond, die gemakkelijk
de leiding van een ander accepteert en dat ook toont in de wijze waarop
hij anderen benadert. De lage, verzoenende, vriendelijke houding die de
hond daarbij aanneemt, dient uitsluitend om de ander onmiddellijk
duidelijk te maken dat hij absoluut geen kwaad in de zin heeft of het
gezag van de ander wil betwisten (en mag dus niet met angst verward
worden).
Aangezien in de puppytest wat dit betreft alleen gekeken wordt naar het
gedrag ten opzichte van de mens, betekent de kwalificatie ‘deemoedig’
hier dus vooral dat de hond de leiding van de MENS gemakkelijk
accepteert: het is dus niet uitgesloten dat de pup zich anders opstelt
tegenover andere honden.
Dominant: De
term ‘dominant’ wordt vaak met allerlei negatieve zaken, met name
agressie, geassocieerd. Ook krijgen honden die niet zo goed naar hun
baas willen luisteren vaak het predikaat ‘dominant’ opgespeld. Meestal
volkomen ten onrechte, omdat het gewoon het gevolg is van een verkeerde
training.
In de
puppytest wordt de term echter uitsluitend gebruikt om aan te geven dat
de hond de leiding van de mens niet (zonder meer) of moeilijk accepteert
en zich ertegen verzet als de mens hem in zijn (bewegings)vrijheid
beperkt. Het gaat hier altijd om bewust, doelgericht verzet, om een zich
niet willen schikken, zonder dat daarbij sprake is van angst. Ook moet
het gaan om situaties waarbij er duidelijk sprake is van contact tussen
hond en mens. Een hond die zich aan de leiding van de mens onttrekt
omdat hij iets anders interessanter vindt is dus niet (per definitie)
dominant. Evenmin is een dominante pup per definitie agressief of wordt
hij dat later. Zolang men een dominante hond in zijn waarde laat, maar
wel heel duidelijk en beslist aangeeft waar zijn grenzen liggen, is er
meestal geen vuiltje aan de lucht.
Tenslotte dient ten aanzien van de kwalificatie ‘dominant’ nog even te
worden opgemerkt dat in de puppytest weer alleen gekeken is naar gedrag
ten opzichte van mensen, en dat het dus weer niets hoeft te zeggen over
het gedrag ten opzichte van andere honden.
Tester gericht
(voorheen baasgericht) De term baasgericht is
inmiddels gewijzigd in tester gericht, omdat de voor de pup onbekende
tester natuurlijk niet vergeleken kan worden met de echte baas, waarmee
de hond (als het goed is) een band heeft/krijgt.
Indien
een pup tester gericht is dan betekent het dat hij gemakkelijk contact
maakt met een vreemde die daar zijn best voor doet en dat hij het ook
leuk vindt om samen met die persoon wat te ondernemen Indien de pup
tijdens de test de tester bij wijze van spreken niet eens ziet staan en
de tester er maar niet in slaagt om contact met de pup te krijgen, dan
scoort de pup in de categorie ‘op zichzelf’.
Hieruit
kan men afleiden, dat wanneer de pup niet gemakkelijk contact maakt met
een vreemde, hij dat in eerste instantie ook niet zal doen met zijn
nieuwe eigenaar(s). Sommige honden zijn echter niet zozeer ‘op
zichzelf’, maar zijn gewoon eenkennig. Als de nieuwe baas kans ziet om
zo’n pup voor zich te winnen, dan kan het dus best zo zijn dat deze het
vuur uit zijn sloffen gaat lopen voor zijn baasje en enorm baasgericht
wordt. In het algemeen zal dat echter niet vanzelf gaan.
Net als
ieder mens heeft iedere hond een geheel eigen, uniek karakter en dus ook
een eigen ‘gebruiksaanwijzing’. Wie gevoel heeft voor het karakter van
zijn hond en er bij de training en opvoeding rekening mee houdt, zal
(als hij het goed doet) een geweldige kameraad krijgen waarmee hij kan
lezen en schrijven. Het is echter niet altijd even eenvoudig om het
gedrag van je hond te ‘lezen’ en te begrijpen; het vereist veel tijd
en(zelf)studie.
Het
karakterprofiel van de puppytest kan daarbij een ‘reiswijzer’ zijn.
Aan de
hand van het karakterprofiel kan men de pup indelen op basis van
temperament en basistype, en zo bij de opvoeding en training rekening
houden met zijn mogelijkheden.
(tekst Elian Hatinga van 't Sant --
fokkerswijzer, aangepast ivm verandering test 2004 Nel Blaakman)
puppytest 2008 van het popsong nest
Puppytest in beeld
naar boven